Initiatieven

Preventie werkt alleen als initiatieven uit de stad daadwerkelijk ruimte krijgen om te doen waar ze goed in zijn — mét behoud van eigenaarschap.

Anton Frederiks, Oprichter & Ambassadeur ZERO15 december 2025

Dit artikel is een persoonlijke reflectie van Anton Frederiks, oprichter & ambassadeur van ZERO, op een gesprek dat plaatsvond op 26 november 2025.

Van gedeelde analyse naar gedeelde verantwoordelijkheid

Onlangs zat ik aan tafel met wethouder sociaal domein Michiel van Willigen en Sipko Hoogsteen. We spraken over jeugdzorg, preventie, de sociale basis en de rol van initiatieven uit de stad, zoals ZERO.

Ik schrijf dit stuk niet als aanklacht en ook niet als pleidooi voor één oplossing. Ik schrijf dit met een doel: het gesprek verleggen van analyse naar uitvoering, op een punt waar we het met z'n drieën over eens waren.

Waar we het over eens waren

Wat mij bijbleef, is dat we inhoudelijk opvallend dicht bij elkaar zaten.

Michiel van Willigen schetste hoe Gemeente Zwolle bewust heeft gekozen voor een lange termijn koers in het sociale domein. Minder symptoombestrijding, meer aandacht voor onderliggende oorzaken. Hij benoemde concreet hoe het aantal uithuisplaatsingen is teruggebracht van honderden per jaar naar een fractie daarvan, en noemde uithuisplaatsing uitvoerbaar maar in effect desastreus.

Sipko Hoogsteen benoemde dat preventie vaak het ondergeschoven kind is, terwijl daar juist de sleutel ligt om problemen vóór te zijn. Hij gebruikte het beeld van een boot met een gat erin: we blijven pompen, terwijl het echte werk zit in het dichten van het lek.

En ik bracht in wat ik dagelijks zie in de praktijk van ZERO: jongeren die via sport, structuur en gemeenschap stabiliteit vinden voordat zorg nodig is, of juist waar zorg tekortschiet.

Over dit principe waren we het eens: preventie werkt, en initiatieven uit de stad spelen daarin een cruciale rol.

Wat preventie in de praktijk vraagt

In het gesprek deelde ik dat we met ZERO inmiddels ongeveer 2500 jongeren hebben begeleid. Jongeren die vaak al te maken hadden met uitval, mentale problematiek of jeugdzorg.

Ik vertelde over een jongen die suïcidaal binnenkwam. Bij ZERO begon hij onderwerpen te delen die hij bij de instellingen waar hij eerder was geweest niet had gedeeld. In die veilige setting ontstond ruimte om dingen uit te spreken die eerder gesloten bleven. Vanuit die openheid kon hij, stap voor stap, weer stabiliteit vinden.

Ik vertelde ook over jongeren die via sport, structuur en gemeenschap doorgroeiden naar rollen als docent, coach of hulpverlener.

Ik heb uitgesproken dat wat er bij ZERO ontstaat — onderlinge verbondenheid, eigenaarschap en een vanzelfsprekend sociaal netwerk — voor mij voelt als bijna de 'droom' van elke jeugdzorginstelling.

Sipko Hoogsteen bevestigde dat beeld vanuit zijn waarneming: jongeren die elkaar dragen, falen niet afstraffen en ook buiten de trainingen verbonden blijven.

Waar het schuurt, ondanks gedeelde visie

Tegelijk benoemden we ook waar het vastloopt.

Ik heb uitgesproken dat ik al ongeveer tien jaar probeer om met plannen, pilots en gesprekken binnen het systeem ruimte te vinden, maar telkens vastloop op structuren, loketten en vaste routes.

Michiel van Willigen erkende dat dit geen onwil is, maar systeemlogica: rechtmatigheid, vaste partners en aanbestedingsregels. Hij zei expliciet dat initiatieven die buiten die lijnen vallen het super moeilijk hebben, terwijl dat botst met de wens om de menselijke maat centraal te stellen.

Sipko Hoogsteen benoemde scherp dat subsidie een prikkel moet zijn en geen infuus. Zodra het een infuus wordt, verdwijnt intrinsieke motivatie en gaan organisaties draaien om het systeem in plaats van om mensen.

Hij benoemde ook dat initiatieven als ZERO meerdere domeinen tegelijk raken — sport, cultuur en jeugdzorg — maar in de praktijk steeds in één hokje worden geplaatst.

Het gezamenlijke knelpunt

Hier ligt voor mij het gezamenlijke knelpunt, en daarmee ook het gezamenlijke doel:

Hoe geven we initiatieven uit de stad daadwerkelijk ruimte binnen de sociale basis, zonder ze over te nemen, inkaderen of afhankelijk te maken?

Niet door ze onder te brengen bij bestaande structuren. Niet door ze te reduceren tot projecten of evenementen. Maar door ze te erkennen als volwaardige partners in preventie, met behoud van eigenaarschap.

Waarom ik dit deel

Ik deel dit stuk niet om gelijk te krijgen. Ik deel het omdat we in dit gesprek iets belangrijks raakten: een gedeelde analyse, een gedeelde zorg en een gedeelde verantwoordelijkheid.

De volgende stap vraagt geen nieuw beleidsstuk, maar praktische keuzes in de uitvoering. Ruimte geven waar vertrouwen is. En vertrouwen durven geven waar de praktijk al laat zien dat het werkt.

Als we het daarover eens zijn — en dat waren we — dan is dit het gesprek dat volgens mij verder gevoerd moet worden.